Vitaminen en mineralen paard: wat is nodig?

Vitaminen en mineralen paard: wat is nodig?

Een paard kan er met goed hooi, voldoende weidegang en een nette conditie prima uitzien, terwijl het rantsoen toch niet volledig in balans is. Juist bij vitaminen en mineralen paard ontstaat vaak verwarring: hoeveel komt er echt uit ruwvoer, wat vult krachtvoer aan, en wanneer is extra ondersteuning logisch? Wie het rantsoen wil verbeteren, doet er goed aan niet te denken in losse potten en snelle oplossingen, maar in het totaalplaatje van ruwvoer, arbeid, leeftijd en huisvesting.

Waarom vitaminen en mineralen voor een paard niet los staan van het hele rantsoen

Vitaminen en mineralen werken nooit op zichzelf. Ze ondersteunen allerlei processen in het lichaam, maar hun waarde hangt af van wat een paard verder binnenkrijgt. Een sobere recreatiepony op goed ruwvoer heeft iets anders nodig dan een sportpaard in training, een opgroeiend jong paard of een senior die minder efficiënt benut.

Daarom begint verstandig voeren niet bij de vraag welk supplement populair is, maar bij de basis. Hoeveel ruwvoer krijgt het paard echt per dag? Wat is de kwaliteit daarvan? Krijgt het daarnaast krachtvoer, luzerne, mash of andere aanvullingen? En zijn die aanvullingen gekozen vanwege energie, smaak of ook vanwege nutriëntenaanvulling? In de praktijk blijken veel rantsoenen ofwel te veel overlap te bevatten, of juist gaten te laten vallen.

Binnen de visie van Het Nieuwe Voeren is dat een belangrijk uitgangspunt. Een paard voer je vanuit zijn natuurlijke behoefte aan vezelrijke, biodiverse basisvoeding. Pas daarna kijk je gericht welke voedingsstoffen nog ontbreken. Wie daar meer grip op wil krijgen, heeft veel aan het boek Het Nieuwe Voeren, omdat het helpt om het rantsoen vanuit welzijn en voedingslogica op te bouwen in plaats van vanuit losse producten.

De basis: wat leveren ruwvoer en weidegang wel en niet?

Ruwvoer is de fundering van elk paardenrantsoen. Hooi, voordroog en gras leveren vezels, energie en een deel van de dagelijkse voedingsstoffen. Toch is ruwvoer niet automatisch compleet. De gehalten aan sporenelementen en vitaminen verschillen sterk per bodem, oogstmoment, plantensoorten, bewaarwijze en seizoen.

Dat betekent dat twee balen hooi er misschien hetzelfde uitzien, maar nutritioneel behoorlijk kunnen verschillen. Vooral bij een rantsoen dat grotendeels uit ruwvoer bestaat en weinig krachtvoer bevat, is het verstandig om extra kritisch te kijken naar de voorziening van mineralen en sporenelementen. Denk aan zink, koper, selenium en magnesium, maar ook aan de balans tussen calcium en fosfor.

Bij weidegang speelt nog iets anders. Vers gras kan in bepaalde periodes een waardevolle bijdrage leveren, maar gras is geen garantie voor een volledig gedekt rantsoen. Bovendien wisselt de opname enorm per paard en per dag. Een paard dat overdag buiten staat, eet niet altijd zoveel gras als gedacht wordt. Anderzijds kan rijk gras wel veel energie leveren zonder dat de mineralenvoorziening optimaal is.

Welke vitaminen en mineralen zijn meestal relevant?

Niet elk paard loopt direct risico op dezelfde tekorten, maar in de praktijk zijn er een paar voedingsstoffen die vaak extra aandacht verdienen. Sporenelementen zoals koper, zink en selenium zijn relevant omdat ze in ruwvoer wisselend aanwezig zijn en de opname niet altijd vanzelfsprekend is. Ook magnesium krijgt veel aandacht, al geldt ook hier: meer is niet per definitie beter.

Bij de macro-mineralen gaat het vooral om calcium, fosfor, natrium en soms kalium. De juiste verhouding is daarbij minstens zo belangrijk als de absolute hoeveelheid. Vooral bij jonge paarden en paarden die veel arbeid verrichten, wil je niet alleen kijken naar wat er toegevoegd wordt, maar ook naar hoe het totale rantsoen is opgebouwd.

Vitaminen vragen een iets andere benadering. Sommige vitamines kan een paard deels zelf aanmaken of via normale omstandigheden voldoende opnemen, terwijl andere in bepaalde situaties extra aandacht vragen. Bij beperkte weidegang, langdurige opslag van ruwvoer, hogere belasting of een eenzijdig rantsoen kan aanvulling logischer worden. Ook hier geldt: kijken naar de praktijk is verstandiger dan standaard overal iets van bijgeven.

Wanneer ontstaat een tekort?

Een tekort ontstaat zelden van de ene op de andere dag. Meestal is het een optelsom van kleine keuzes. Een paard krijgt bijvoorbeeld prima hooi, maar weinig variatie, geen gebalanceerde aanvulling en slechts een handje krachtvoer dat te laag gedoseerd is om echt als vitamine- en mineralenbron te tellen. Dat zie je vaak bij sobere paarden of paarden die weinig krachtvoer nodig hebben. Ze krijgen dan wel "iets erbij", maar niet genoeg om nutritioneel verschil te maken.

Ook bij paarden op een caloriearm rantsoen is dit een bekend punt. Eigenaren willen terecht niet onnodig veel energie voeren, maar vergeten soms dat minder krachtvoer vaak ook minder vitaminen en mineralen betekent. Dan lijkt het rantsoen simpel en netjes, terwijl het op detailniveau toch scheef kan lopen.

Daarnaast zijn er levensfasen waarin de behoefte verandert. Groeiende paarden bouwen bot, spier en weefsel op. Drachtige en lacterende merries hebben een ander verbruik dan onderhoudspaarden. Senioren kunnen weer andere uitdagingen hebben in opname en benutting. Hetzelfde geldt voor paarden in intensievere training of herstelperiodes. Een standaardaanpak past daar zelden goed op.

Vitaminen en mineralen paard beoordelen: waar let je op?

Wie vitaminen en mineralen paard goed wil beoordelen, moet verder kijken dan de voorkant van een zak of emmer. De eerste vraag is niet hoeveel producten er gevoerd worden, maar of het rantsoen logisch is opgebouwd. Een paard dat veel verschillende aanvullingen krijgt, is niet automatisch beter gevoerd dan een paard met een eenvoudige, doordachte basis.

Kijk eerst naar het aandeel ruwvoer. Daarna naar alle extra's: krachtvoer, balancers, slobber, kruidenmixen, likstenen en supplementen. Juist in die combinatie ontstaan vaak dubbeltellingen of misverstanden. Een liksteen alleen is bijvoorbeeld zelden voldoende als complete aanvulling. En een klein schepje van een volledig voer levert alleen een volledige dekking als je ook de geadviseerde hoeveelheid voert.

Het helpt om per product na te gaan wat de functie is. Levert het energie, eiwit, vezels of echt een gerichte aanvulling van vitaminen en mineralen? Zodra producten vooral naast elkaar worden gebruikt zonder duidelijke reden, verdwijnt het overzicht. Dan wordt voeren ingewikkeld, terwijl het juist eenvoudiger moet worden.

Praktisch balanceren zonder onnodig veel producten

In de dagelijkse stalpraktijk werkt een eenvoudige aanpak meestal het best. Begin met een stevige ruwvoerbasis. Bepaal vervolgens of het paard voldoende energie nodig heeft uit extra voer, of dat vooral de micronutriënten aangevuld moeten worden. Voor veel paarden die weinig tot matig krachtvoer krijgen, zit daar precies de sleutel.

Een balancer of gerichte basisaanvulling kan dan passender zijn dan een klassiek krachtvoer in een te lage dosering. Voor paarden die wel meer arbeid leveren of in een specifieke levensfase zitten, kan de invulling anders zijn. Dan moet het rantsoen niet alleen compleet zijn in vitaminen en mineralen, maar ook passen bij energiebehoefte, spieropbouw en praktische voerbaarheid.

Belangrijk is dat je niet corrigeert op gevoel alleen. Een doffe vacht, wisselende bespiering of matige hoefkwaliteit kunnen met voeding samenhangen, maar hebben niet altijd één simpele oorzaak. Soms ligt de oplossing in beter ruwvoer, soms in een uitgebalanceerde aanvulling, en soms in het weghalen van overlap uit het rantsoen. Juist daarom is een planmatiger aanpak vaak effectiever dan steeds iets extra's toevoegen.

Veelgemaakte fouten bij het aanvullen

Een klassieke fout is denken dat "natuurlijk voeren" automatisch betekent dat aanvulling overbodig is. Natuurlijke voeding is een sterk uitgangspunt, maar onze paarden eten meestal geen eindeloos gevarieerd landschap zoals hun voorouders. Ze leven op geselecteerd grasland, hooi van een bepaald perceel en een door mensen samengesteld rantsoen. Dat maakt gericht aanvullen soms juist logisch.

Een andere fout is te snel ingrijpen met meerdere losse supplementen tegelijk. Dan wordt het lastig om nog te beoordelen wat echt nodig is. Bovendien kan het even duren voordat een aangepast rantsoen zichtbaar verschil maakt. Voeding vraagt consistentie.

Ook wordt de rol van dosering vaak onderschat. Een product kan inhoudelijk goed samengesteld zijn, maar als het paard er te weinig van krijgt, blijft het effect op rantsoenniveau beperkt. Andersom geldt dat stapelen van verschillende producten niet automatisch beter is. Meer is niet hetzelfde als passender.

Wanneer is deskundig meekijken verstandig?

Zodra een paard een afwijkende situatie heeft, loont het om het rantsoen echt door te rekenen of te laten beoordelen. Denk aan jonge paarden, fokmerries, sobere paarden met overgewicht, paarden met hoge sportbelasting of dieren die lastig op conditie blijven. Ook wanneer je al meerdere producten voert en het overzicht kwijt bent, is deskundig meekijken zinvoller dan opnieuw iets erbij kopen.

Goede voedingsbegeleiding maakt voeren niet ingewikkelder, maar juist rustiger. Je weet dan waarom iets wel of niet in het rantsoen hoort en welke basis het paard nodig heeft. Dat sluit aan bij een moderne welzijnsgerichte manier van voeren, waarin niet de hoeveelheid producten centraal staat, maar de kwaliteit van het totaal.

Wie dagelijks met paarden werkt, weet hoe verleidelijk het is om te zoeken naar snelle antwoorden. Toch zit duurzame verbetering meestal in eenvoud, onderbouwing en consequent voeren. Als je vitaminen en mineralen voor je paard vanuit die gedachte benadert, wordt het rantsoen niet alleen completer, maar ook logischer en prettiger vol te houden.

Back to blog