Wie zoekt op ruwvoer versus hooi paard, wekt al snel de indruk dat er een keuze gemaakt moet worden tussen twee afzonderlijke voeders. Dat is precies waar veel verwarring begint. Hooi is namelijk een vorm van ruwvoer. De relevantere vraag is daarom: welk ruwvoer past bij jouw paard, in welke hoeveelheid en met welke kwaliteit?
Voor een paard is ruwvoer geen bijzaak die je aanvult met krachtvoer. Het vormt de basis van het rantsoen, de grootste bron van vezels en het voer waarmee een paard het grootste deel van de dag bezig hoort te zijn. Wie daar goed naar kijkt, maakt het voeren vaak overzichtelijker - én kan gerichter beoordelen wat er eventueel nog ontbreekt.
Ruwvoer versus hooi voor je paard: geen tegenstelling
Ruwvoer is de verzamelnaam voor vezelrijke voedermiddelen van plantaardige oorsprong. Daaronder vallen onder meer gras, hooi, voordroogkuil, luzerne, stro en grasbrok. Hooi ontstaat wanneer gemaaid gras voldoende op het land droogt en vervolgens droog wordt opgeslagen. Het bevat doorgaans veel droge stof en is daardoor goed houdbaar, mits het droog en hygiënisch bewaard blijft.
Wanneer iemand zegt dat zijn paard ‘op hooi staat’, zegt dat dus iets over het soort ruwvoer, maar nog niet over de voedingswaarde of kwaliteit. Twee partijen hooi kunnen sterk van elkaar verschillen. Het tijdstip van maaien, de grassoorten, weersomstandigheden, bemesting, bodem en opslag bepalen samen wat er uiteindelijk in het net of op de voerplek terechtkomt.
Ook voordroog is ruwvoer. Dit gras wordt minder ver gedroogd dan hooi en daarna luchtdicht verpakt. Daardoor is het vaak zachter en bevat het meer vocht. Sommige paarden eten het gemakkelijker, maar het vraagt extra aandacht voor bewaring en voor de snelheid waarmee een geopende verpakking wordt opgevoerd. Stro kan eveneens onderdeel zijn van het ruwvoerbeleid, maar is door de beperkte voedingswaarde en stuggere structuur zelden een volwaardige vervanger van grasruwvoer.
Waarom ruwvoer de basis van het rantsoen is
Een paard is gebouwd om langdurig kleine hoeveelheden vezelrijk voer te zoeken, te grijpen en te kauwen. Die lange eettijd is niet alleen gedrag dat we graag willen zien, maar sluit aan bij de natuurlijke functie van het maagdarmkanaal. Een rantsoen met voldoende passend ruwvoer helpt daarom om de dag rustig en natuurlijk in te delen.
Hoeveel ruwvoer een paard nodig heeft, hangt af van lichaamsgewicht, type paard, arbeid, conditie, beschikbare weidegang en de kwaliteit van het ruwvoer. Als praktische ondergrens wordt vaak gerekend met minimaal 1,5 procent van het lichaamsgewicht aan droge stof uit ruwvoer per dag. Voor een paard van 600 kilo betekent dat minimaal 9 kilo droge stof. Omdat hooi en voordroog een verschillend vochtgehalte hebben, kun je die hoeveelheid niet één op één omrekenen naar kilo’s product.
In de praktijk is meer ruwvoer vaak wenselijk, zolang het past bij de energiebehoefte en conditie van het paard. Een sober paard met ruim aanbod van zeer energierijk gras of jong, bladerrijk ruwvoer vraagt om een andere aanpak dan een ouder paard dat moeite heeft met kauwen of op gewicht blijven. Het juiste antwoord zit dus niet in één vaste baal of één vaste norm, maar in kijken, wegen en bijsturen.
Hooi beoordelen: kijk verder dan kleur en geur
Een fris ruikende baal zonder zichtbare schimmel is een goed begin, maar geen volledige kwaliteitsbeoordeling. Mooi groen hooi kan relatief eiwitrijk en energierijk zijn, terwijl grover, geler hooi juist veel structuur kan leveren. Geen van beide is automatisch beter. De vraag is wat jouw paard nodig heeft.
Let bij elke nieuwe partij in ieder geval op stof, schimmelplekken, een muffe of zure geur, vreemde verontreiniging en opvallende warmte in de baal. Hooi hoort droog aan te voelen en niet broeierig te ruiken. Beschimmeld of zichtbaar vervuild ruwvoer voer je niet. Ook een partij die je paard plotseling laat liggen of waarbij meerdere paarden minder graag eten, verdient extra aandacht.
De meest betrouwbare manier om de samenstelling te kennen, is een ruwvoeranalyse. Daarmee krijg je onder andere inzicht in droge stof, energie, eiwit en suiker. Dat voorkomt dat je op basis van uiterlijk of aannames compenseert met krachtvoer, balancers of losse aanvullingen die misschien niet nodig zijn. Analyse is vooral waardevol bij paarden die snel in conditie veranderen, intensief werken, opgroeien, drachtig zijn of een specifiek rantsoen nodig hebben.
Structuur en kauwtijd tellen mee
Een ruwvoeranalyse vertelt veel, maar niet alles. Ook de fysieke structuur doet ertoe. Erg fijn, kort of zacht ruwvoer wordt vaak sneller opgenomen dan grofstengelig materiaal. Dat kan betekenen dat een paard minder lang kauwt en eerder klaar is met eten. Met een passend slowfeeder-systeem kun je de opnametijd soms verlengen, maar kies een maaswijdte die veilig is en past bij het paard en het type ruwvoer.
Langere eettijd is geen doel op zichzelf als een paard daardoor gefrustreerd raakt of onvoldoende binnenkrijgt. Kijk daarom naar het totaalplaatje: ligt er vaak nog iets over, is het paard ontspannen rond voertijden, blijft de conditie stabiel en zijn er geen grote eetpauzes? Dat zijn praktische signalen die minstens zo bruikbaar zijn als een rekensom op papier.
Welk ruwvoer past bij welk paard?
Voor een recreatiepaard dat gemakkelijk op gewicht blijft, kan later gemaaid hooi met voldoende structuur goed passen. Het levert doorgaans minder snel energie dan jong, zeer bladerrijk gras, maar ook hier blijft analyse leidend. Een sportpaard met een hogere energiebehoefte kan prima ruwvoer als fundament houden, met aanvullingen die aansluiten op het werk en de uitslag van de analyse.
Bij oudere paarden is niet alleen de voedingswaarde relevant, maar ook het gebit en het kauwvermogen. Als lange stengels lastig worden, kan geweekt ruwvoer of een geschikte vezelrijke vervanger tijdelijk of structureel uitkomst bieden. Bespreek veranderingen bij duidelijke kauwproblemen, gewichtsverlies of afwijkend mestgedrag altijd met dierenarts en gebitsverzorger.
Jonge paarden, fokmerries en paarden in herstel vragen eveneens om een nauwkeurig rantsoen. Hun behoefte aan eiwit, mineralen en energie kan afwijken van die van een volwassen recreatiepaard. Juist dan is het verstandig om niet alleen naar de hoeveelheid hooi te kijken, maar de volledige ruwvoerbasis te beoordelen voordat je gerichte aanvullingen kiest.
Van ruwvoer naar een compleet rantsoen
Een rantsoen begint met de vraag wat het ruwvoer levert. Daarna kijk je naar wat het paard daarnaast nodig heeft, rekening houdend met lichaamsconditie, werk, leeftijd en weidegang. Ruwvoer levert vezels en voedingsstoffen, maar is niet automatisch volledig in alle mineralen, vitaminen en sporenelementen. Dat verschilt per partij en seizoen.
Hier ligt de kracht van gericht aanvullen. Niet omdat een lange lijst producten beter is, maar omdat een eenvoudige basis die aansluit op het ruwvoer beter te controleren is. Een balancer of gerichte aanvulling kan passen wanneer de analyse of het totale rantsoen een aantoonbare aanvulling vraagt. Vermijd stapelen op gevoel: meer is niet vanzelf beter, zeker niet wanneer meerdere producten dezelfde nutriënten bevatten.
De visie achter Het Nieuwe Voeren sluit hier goed op aan: begin bij natuurlijk, gevarieerd en passend ruwvoer, en vul pas daarna doelgericht aan. In het boek Het Nieuwe Voeren, praktisch handboek voor een beter paardenwelzijn wordt die gedachte verder uitgewerkt met praktische handvatten om het rantsoen en de leefomgeving meer vanuit het paard te bekijken.
Zo maak je morgen al een betere ruwvoerkeuze
Begin eenvoudig: weeg een paar dagen wat je werkelijk voert, in plaats van uit te gaan van het aantal plakken of een volle kruiwagen. Noteer ook hoeveel weidegang je paard krijgt en controleer of er lange pauzes zonder vezelrijk voer ontstaan. Die informatie geeft een veel betrouwbaarder vertrekpunt dan alleen kijken naar de hoeveelheid krachtvoer.
Vraag bij een nieuwe leverancier naar herkomst, snede, oogstdatum en eventuele analysegegevens. Verander je van partij, bouw dan waar mogelijk geleidelijk over. Observeer in die periode de eetlust, mest, conditie en het gedrag rond het voer. Kleine veranderingen in ruwvoer kunnen in de dagelijkse praktijk groter uitpakken dan veel paardeneigenaren verwachten.
Goed voeren hoeft niet ingewikkeld te zijn, maar het vraagt wel dat we hooi niet als een anonieme basisbaal zien. Als je weet wat je voert, hoeveel je paard ervan opneemt en wat het ruwvoer nog niet afdekt, ontstaat er rust in het rantsoen - en kun je keuzes maken die echt passen bij het paard voor je.